• text
  • Column OVT

    Barbados

    Het was een aantrekkelijke omschrijving. House for rent near Bridgetown, set in a lush tropical garden. Vooral die welige tropische tuin deed het hem. Het aanbod voldeed op het oog aan mijn wensen: niet in een toeristische omgeving, maar wel in de buurt van de belangrijkste plaats van Barbados. Drie weken zou ik er alleen zitten werken aan Pelican Bay, een roman die zich afspeelde in de Cariben, afwisselend in het heden en het verleden. Slavernij speelt er een belangrijke rol in.

    David, de eigenaar van het huis, haalde me af van het vliegveld in een oude auto, die hij naar later bleek had geleend van een kennis. David was zwart, single en uitermate voorkomend. Mijn verwachting dat we naar een groene buitenwijk zouden rijden werd gelogenstraft. De straten werden morsiger, de huizen stonden vrij dicht op elkaar. Uiteindelijk parkeerde David voor een vriendelijk wit huisje, gemodelleerd naar de chattel houses waar slaven werden gehuisvest. In het voortuintje stonden wat hibiscusstruiken. Op de veranda hingen bloemige planten in bakken. De lush tropical garden. Het huisje was uiterst eenvoudig en doelmatig ingericht. David liet me alles zien en trok zich toen met zijn hond terug op het achterplaatsje, waar hij naar zijn zeggen woonde als hij zijn huis verhuurde. Dat plaatsje bevatte een hok waarin hij sliep. Meer niet.

    Vanaf de veranda had ik uitzicht op de tuin van de buren links: men gebruikte die als opslagplaats voor een handeltje in oude kluizen en ijskasten. Tegenover me was een landje waar een paar scharrige schapen graasden. Af en toe werd er een weggehaald door de eigenaar teneinde geslacht te worden.  Op het belendende perceel rechts stonden drie oude vrachtwagens, duidelijk ook op de slacht te wachten. Ik wilde tussen de gewone mensen zitten? Ik zat tussen de gewone mensen.

    Mijn mobiele telefoon was onbruikbaar. Toen David doorhad dat mijn man elke dag op een vaste tijd naar zijn telefoon belde, legde hij ’s morgens discreet het toestel op de balustrade van de veranda. David was uitermate bezorgd om mijn welzijn. Hij sloot ’s avonds de poort hermetisch af, opdat geen onverlaat mmijn nachtrust zou komen storen. De buren in het straatje wandelden langs, en zwaaiden vriendelijk naar de vrouw, die elke ochtend op de  veranda achter haar laptop zat en aan een boek schreef. Liep ik ’s middags naar zee en passeerde ik de kroeg op de hoek, waar geheel in overeenstemming met het Caribisch cliche een paar mannen steevast lui rum dronken en trictrac speelden, dan werd ik weer alleraardigst gegroet, en riepen ze me goede wensen toe.

    In het huisje van David hingen aan de muren foto’s van hem in de kerk, met priesters en andere prelaten, tijdens een  plechtige viering. David was een gelovig en vroom man en ook zelfbewust. Zachtaardig als een heilige. Hij heeft me – nooit opdringerig en nooit te lang – over zijn leven verteld, een bescheiden bestaan met bescheiden maar intense hoogtepunten. Zelden heb ik zo’n beschaafd mens ontmoet. Zelfs mijn schaamte om het feit dat ik in zijn bed lag, terwijl hij in een kast verbleef, waarbij ik de last van de schuld aan het slavernijverleden op mijn schouders voelde rusten, wist hij met een glimlach en een vriendelijk woord terzijde te schuiven.

    De resten van dat verleden, de rancune, de schuld, de permanente onderstroom van daderschap en slachtofferschap in de verhoudingen, zijn overal aanwezig in de Cariben. Niet bij David. Ik hoop dat hij nog leeft en gelukkig is. En als hij dood is, moge hij dan in de hemel zijn waarin ik niet maar hij wel zo vast geloofde.